
Zelfmoordgedachten en zelfdoding komen vaker voor bij mannen van middelbare leeftijd en bij sociaal kwetsbare jongeren. Een nieuw landelijk consortium wil meer inzicht krijgen in deze problematiek om te komen tot betere preventie.
Tekst: John Ekkelboom • Foto's: Marieke de Lorijn
l eerder hebben Nederlandse wetenschappers onderzoek gedaan naar mogelijke preventie van suïcide en suïcidale gedachten onder de bevolking. Dat waren echter kleinere afzonderlijke studies die bovendien onvoldoende effect sorteerden.
Suïcide komt immers nog veel voor. Financier ZonMw besloot daarom deze problematiek grootschaliger aan te pakken door deskundigen op dit gebied op te roepen landelijk te gaan samenwerken. Inmiddels heeft deze oproep geresulteerd in een consortium van zo’n 25 organisaties, waaronder universiteiten, academische ziekenhuizen, hogescholen, GGD-en en onderzoeksinstellingen zoals Nivel, Trimbos en Verwey Jonker. Dit consortium staat onder leiding van Diana van Bergen, adjunct-hoogleraar Suïcide en suïcidepreventie onder jongeren van de Rijksuniversiteit Groningen. Eind vorig jaar was de officiële start waarbij twee grote risicogroepen centraal staan: sociaal kwetsbare jongeren en mannen van middelbare leeftijd.
Kwetsbare jongeren
Als onderzoekspartner van dit Consortium Suïcidepreventie speelt Amsterdam UMC voor beide risicogroepen een belangrijke rol. Baudewijntje Kreukels, hoogleraar Medische psychologie en in het bijzonder gender- en geslachtsvariaties, is leider van één van de twee werkpakketten gericht op sociaal kwetsbare jongeren. Vier groepen jongeren hebben vanwege hun sociale positie twee- tot vijfmaal zoveel risico op gedachten en pogingen tot zelfdoding, licht ze toe. “Als eerste zijn dat jongeren met een migratie- of vluchtelingenachtergrond. Een tweede groep bestaat uit transgender en genderdiverse jongeren en jongvolwassenen. De derde groep betreft biseksuele jongeren. En de vierde groep zijn jongeren van wie ouders een mentale stoornis of een verslaving hebben.” Cognitieve gedragstherapie en praktische aanpassingen, zoals extra beveiliging bij spoorwegovergangen en vangnetten bovenin hoge gebouwen, blijken wel te werken, zegt ze. “Maar onder sociaal kwetsbare jongeren is suïcide sinds enkele jaren doodsoorzaak nummer 1. Dus preventie verdient echt aandacht.”
‘Het gaat erom dat we de veerkracht van mensen versterken om hen uit die vicieuze cirkel te halen’
Out of the blue
Ook bij mannen van middelbare leeftijd komt suïcide relatief veel voor, vertelt Merijn Eikelenboom. Hij is manager bedrijfsvoering onderzoek van de afdeling Psychiatrie van Amsterdam UMC, promoveerde anderhalf jaar geleden op een onderzoek naar suïcidaliteit bij angst en depressie, en werkt één dag per week als onderzoeker bij 113 Zelfmoordpreventie. Binnen het consortium houdt hij zich bezig met het werkpakket over mannen van middelbare leeftijd, dat onder leiding staat van het Nivel. “Vergeleken met andere groepen komt suïcide het vaakst voor bij mannen tussen de 40 en 60 jaar. In tegenstelling tot vrouwen zoeken zij minder hulp en praten ze niet zo snel over problemen. Bij hen is in verhoogde mate sprake van out of the blue-suïcides: niemand zag het aankomen. Bij vrouwen is dat vrijwel nooit het geval. Het is dus een onbekende groep. Een preventiemogelijkheid zou kunnen zijn dat mannen er meer over gaan praten. Het stigma moet eraf.”
Belangrijke steun
Het consortium wil niet alleen risicofactoren – zoals een depressie of sociale uitsluiting – in kaart brengen, maar vooral kijken naar beschermende factoren en herstelfactoren. Kreukels licht toe dat over deze laatste twee nog weinig bekend is. “Uit wereldwijde onderzoeken komt naar voren dat sociale contacten belangrijke steun kunnen bieden en zorgen voor een beter mentaal welbevinden. Of dat ook voor suïcidaliteit geldt, moet beter worden onderzocht. Bovendien, als je constateert dat sociale steun werkt, hoe en waar zet je die kennis in ter preventie? Belangrijk is dat we dit nu voor Nederland eens beter in kaart brengen. Maar naast die beschermende componenten willen we ook achterhalen wat mogelijke herstelfactoren zijn. Daar weten we heel weinig van. We proberen nu te achterhalen waardoor mensen met suïcidale gedachten er toch goed zijn uitgekomen. In feite gaat het erom dat we de veerkracht van mensen versterken om hen uit die vicieuze cirkel te halen.”

Bestaande data
Een belangrijk deel van het werk van het consortium richt zich op het analyseren van bestaande data om inzicht te krijgen in mogelijke beschermende factoren en herstelfactoren. Kreukels, die het werkpakket leidt voor alle vier de jongerendoelgroepen, kijkt vanwege haar eigen vakgebied zelf onder andere naar de data van het European Network for the Investigation of Gender Incongruence (ENIGI). Dit Europese samenwerkingsverband heeft onderzoek gedaan naar personen die in gendercentra zijn behandeld, waarbij ook vragen zijn gesteld over suïcidale gedachten en gedrag. Het gebrek aan sociale acceptatie speelt bij hen een belangrijke rol, weet Kreukels.
Eikelenboom maakt voor zijn doelgroep gebruik van de data van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Deze studie doet Amsterdam UMC als penvoerder samen met het Leids Universitair Medisch Centrum en het UMC Groningen. Daarin worden ruim 3.000 mannen en vrouwen met en zonder symptomen van angst en depressie al ruim 20 jaar gevolgd op deze stoornissen. Tijdens interviews krijgen zij om de paar jaar ook vragen voorgelegd over suïcidale gedachten en pogingen. Eikelenboom: “Wij gaan de antwoorden op deze vragen relateren aan gegevens over veerkracht die ook binnen NESDA zijn verzameld. Het Nivel doet dat met huisartsendata en de Rijksuniversiteit Groningen met de data van Lifelines, een langlopend onderzoek naar gezonder oud worden, waarbij 167.000 mensen uit Noord-Nederland worden gevolgd.”
Opstap naar meer
Het uiteindeljke doel is om meer kennis te genereren omtrent bescherming tegen suïcidaliteit en vervolgens betere preventieve interventies te ontwikkelen. Het consortium kijkt ook op welke wijze en waar deze geïmplementeerd zouden kunnen worden, zoals op middelbare scholen, bij wijkteams, in de eerstelijnszorg en bij organisaties die zich specifiek richten op de te onderzoeken groepen. Eikelenboom benadrukt dat dit alles tijdens de subsidieperiode niet helemaal zal lukken. “Deze duurt slechts 18 maanden. Dat is uiteraard veel te kort. Maar het mooie is wel dat we in die tijd een consortium kunnen opbouwen van zeer deskundige partijen die elkaar voortaan weten te vinden en onderling kennis kunnen uitwisselen. Dat is een grote meerwaarde. Daar rollen weer nieuwe initiatieven en aanvragen uit. Dit is dus een opstap naar meer.” •
Het aantal zelfdodingen per jaar in Nederland schommelt tussen de 1.800 en 1.900. Dat zijn er gemiddeld zo’n vijf per dag. Bij mannen komt suïcide tweemaal zo vaak voor als bij vrouwen, terwijl vrouwen vaker pogingen doen dan mannen. Mannen zoeken minder snel hulp en praten minder over hun gevoelens van hopeloosheid. Hoewel het aantal zelfdodingen in Nederland sinds 2013 stabiel is, is het aandeel van sociaal kwetsbare jongeren juist toegenomen. Bij jongeren en jongvolwassenen tot 30 jaar is zelfdoding zelfs doodsoorzaak nummer 1 geworden. Het aantal zelfdodingen per 100.000 inwoners is onder mannen van 40-60 jaar het hoogst van alle leeftijdsgroepen.
Denk je aan zelfdoding? Neem dan 24/7 gratis en anoniem contact op met 0800-0113 of chat op 113.nl

Denk je aan zelfdoding? Neem dan 24/7 gratis en anoniem contact op met 0800-0113 of chat op 113.nl
Het aantal zelfdodingen per jaar in Nederland schommelt tussen de 1.800 en 1.900. Dat zijn er gemiddeld zo’n vijf per dag. Bij mannen komt suïcide tweemaal zo vaak voor als bij vrouwen, terwijl vrouwen vaker pogingen doen dan mannen. Mannen zoeken minder snel hulp en praten minder over hun gevoelens van hopeloosheid. Hoewel het aantal zelfdodingen in Nederland sinds 2013 stabiel is, is het aandeel van sociaal kwetsbare jongeren juist toegenomen. Bij jongeren en jongvolwassenen tot 30 jaar is zelfdoding zelfs doodsoorzaak nummer 1 geworden. Het aantal zelfdodingen per 100.000 inwoners is onder mannen van 40-60 jaar het hoogst van alle leeftijdsgroepen.
Bestaande data
Een belangrijk deel van het werk van het consortium richt zich op het analyseren van bestaande data om inzicht te krijgen in mogelijke beschermende factoren en herstelfactoren. Kreukels, die het werkpakket leidt voor alle vier de jongerendoelgroepen, kijkt vanwege haar eigen vakgebied zelf onder andere naar de data van het European Network for the Investigation of Gender Incongruence (ENIGI). Dit Europese samenwerkingsverband heeft onderzoek gedaan naar personen die in gendercentra zijn behandeld, waarbij ook vragen zijn gesteld over suïcidale gedachten en gedrag. Het gebrek aan sociale acceptatie speelt bij hen een belangrijke rol, weet Kreukels.
Eikelenboom maakt voor zijn doelgroep gebruik van de data van de Nederlandse Studie naar Depressie en Angst (NESDA). Deze studie doet Amsterdam UMC als penvoerder samen met het Leids Universitair Medisch Centrum en het UMC Groningen. Daarin worden ruim 3.000 mannen en vrouwen met en zonder symptomen van angst en depressie al ruim 20 jaar gevolgd op deze stoornissen. Tijdens interviews krijgen zij om de paar jaar ook vragen voorgelegd over suïcidale gedachten en pogingen. Eikelenboom: “Wij gaan de antwoorden op deze vragen relateren aan gegevens over veerkracht die ook binnen NESDA zijn verzameld. Het Nivel doet dat met huisartsendata en de Rijksuniversiteit Groningen met de data van Lifelines, een langlopend onderzoek naar gezonder oud worden, waarbij 167.000 mensen uit Noord-Nederland worden gevolgd.”
Opstap naar meer
Het uiteindeljke doel is om meer kennis te genereren omtrent bescherming tegen suïcidaliteit en vervolgens betere preventieve interventies te ontwikkelen. Het consortium kijkt ook op welke wijze en waar deze geïmplementeerd zouden kunnen worden, zoals op middelbare scholen, bij wijkteams, in de eerstelijnszorg en bij organisaties die zich specifiek richten op de te onderzoeken groepen. Eikelenboom benadrukt dat dit alles tijdens de subsidieperiode niet helemaal zal lukken. “Deze duurt slechts 18 maanden. Dat is uiteraard veel te kort. Maar het mooie is wel dat we in die tijd een consortium kunnen opbouwen van zeer deskundige partijen die elkaar voortaan weten te vinden en onderling kennis kunnen uitwisselen. Dat is een grote meerwaarde. Daar rollen weer nieuwe initiatieven en aanvragen uit. Dit is dus een opstap naar meer.” •
Zelfmoordgedachten en zelfdoding komen vaker voor bij mannen van middelbare leeftijd en bij sociaal kwetsbare jongeren. Een nieuw landelijk consortium wil meer inzicht krijgen in deze problematiek om te komen tot betere preventie.
Tekst: John Ekkelboom • Foto's: Marieke de Lorijn
l eerder hebben Nederlandse wetenschappers onderzoek gedaan naar mogelijke preventie van suïcide en suïcidale gedachten onder de bevolking. Dat waren echter kleinere afzonderlijke studies die bovendien onvoldoende effect sorteerden.
Suïcide komt immers nog veel voor. Financier ZonMw besloot daarom deze problematiek grootschaliger aan te pakken door deskundigen op dit gebied op te roepen landelijk te gaan samenwerken. Inmiddels heeft deze oproep geresulteerd in een consortium van zo’n 25 organisaties, waaronder universiteiten, academische ziekenhuizen, hogescholen, GGD-en en onderzoeksinstellingen zoals Nivel, Trimbos en Verwey Jonker. Dit consortium staat onder leiding van Diana van Bergen, adjunct-hoogleraar Suïcide en suïcidepreventie onder jongeren van de Rijksuniversiteit Groningen. Eind vorig jaar was de officiële start waarbij twee grote risicogroepen centraal staan: sociaal kwetsbare jongeren en mannen van middelbare leeftijd.
Kwetsbare jongeren
Als onderzoekspartner van dit Consortium Suïcidepreventie speelt Amsterdam UMC voor beide risicogroepen een belangrijke rol. Baudewijntje Kreukels, hoogleraar Medische psychologie en in het bijzonder gender- en geslachtsvariaties, is leider van één van de twee werkpakketten gericht op sociaal kwetsbare jongeren. Vier groepen jongeren hebben vanwege hun sociale positie twee- tot vijfmaal zoveel risico op gedachten en pogingen tot zelfdoding, licht ze toe. “Als eerste zijn dat jongeren met een migratie- of vluchtelingenachtergrond. Een tweede groep bestaat uit transgender en genderdiverse jongeren en jongvolwassenen. De derde groep betreft biseksuele jongeren. En de vierde groep zijn jongeren van wie ouders een mentale stoornis of een verslaving hebben.” Cognitieve gedragstherapie en praktische aanpassingen, zoals extra beveiliging bij spoorwegovergangen en vangnetten bovenin hoge gebouwen, blijken wel te werken, zegt ze. “Maar onder sociaal kwetsbare jongeren is suïcide sinds enkele jaren doodsoorzaak nummer 1. Dus preventie verdient echt aandacht.”
‘Het gaat erom dat we de veerkracht van mensen versterken om hen uit die vicieuze cirkel te halen’

Belangrijke steun
Het consortium wil niet alleen risicofactoren – zoals een depressie of sociale uitsluiting – in kaart brengen, maar vooral kijken naar beschermende factoren en herstelfactoren. Kreukels licht toe dat over deze laatste twee nog weinig bekend is. “Uit wereldwijde onderzoeken komt naar voren dat sociale contacten belangrijke steun kunnen bieden en zorgen voor een beter mentaal welbevinden. Of dat ook voor suïcidaliteit geldt, moet beter worden onderzocht. Bovendien, als je constateert dat sociale steun werkt, hoe en waar zet je die kennis in ter preventie? Belangrijk is dat we dit nu voor Nederland eens beter in kaart brengen. Maar naast die beschermende componenten willen we ook achterhalen wat mogelijke herstelfactoren zijn. Daar weten we heel weinig van. We proberen nu te achterhalen waardoor mensen met suïcidale gedachten er toch goed zijn uitgekomen. In feite gaat het erom dat we de veerkracht van mensen versterken om hen uit die vicieuze cirkel te halen.”
Out of the blue
Ook bij mannen van middelbare leeftijd komt suïcide relatief veel voor, vertelt Merijn Eikelenboom. Hij is manager bedrijfsvoering onderzoek van de afdeling Psychiatrie van Amsterdam UMC, promoveerde anderhalf jaar geleden op een onderzoek naar suïcidaliteit bij angst en depressie, en werkt één dag per week als onderzoeker bij 113 Zelfmoordpreventie. Binnen het consortium houdt hij zich bezig met het werkpakket over mannen van middelbare leeftijd, dat onder leiding staat van het Nivel. “Vergeleken met andere groepen komt suïcide het vaakst voor bij mannen tussen de 40 en 60 jaar. In tegenstelling tot vrouwen zoeken zij minder hulp en praten ze niet zo snel over problemen. Bij hen is in verhoogde mate sprake van out of the blue-suïcides: niemand zag het aankomen. Bij vrouwen is dat vrijwel nooit het geval. Het is dus een onbekende groep. Een preventiemogelijkheid zou kunnen zijn dat mannen er meer over gaan praten. Het stigma moet eraf.”